
Jurisprudentie
BA7913
Datum uitspraak2007-10-02
Datum gepubliceerd2007-10-02
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02237/06 P
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-10-02
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02237/06 P
Statusgepubliceerd
Indicatie
OM-cassatie. Ontvankelijkheid OM ivm redelijke termijn. ‘s Hofs oordeel dat het tijdsverloop tussen het instellen van appel op 11-12-2000 en de einduitspraak op 1-2-2006 zodanig lang is dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn i.d.z.v. art. 6.1 EVRM, wordt in cassatie niet bestreden. ’s Hofs oordeel dat dit tijdsverloop van 5 jaren en bijna 2 maanden dient te leiden tot de uitzonderlijke beslissing van niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de ontnemingsvordering is, in het licht van de aan een dergelijke beslissing te stellen zware motiveringseisen, ontoereikend gemotiveerd (vgl. HR LJN AR2439).
Conclusie anoniem
Nr. 02237/06 P
Mr. Vellinga
Zitting: 19 juni 2007
Conclusie inzake:
[betrokkene]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 1 februari 2006 Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het cassatieberoep in namens de veroordeelde weersproken door mrs. J.L.A.M. le Cocq d'Armandville en J.Y. Taekema, advocaten te Rotterdam.
3. Het Hof heeft zijn beslissing als volgt gemotiveerd:
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Van de zijde van de veroordeelde is een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens overschrijding van een redelijke termijn, in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, op grond dat tussen het moment in augustus 1998 waarop de officier van justitie ex artikel 311, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bij requisitoir in de hoofdzaak in eerste aanleg het voornemen kenbaar heeft gemaakt om een ontnemingsvordering aanhangig te maken en de terechtzitting in hoger beroep in januari 2006, ondanks herhaaldelijk contact van de zijde van de raadsman van de veroordeelde, een periode van ruim 7 jaren is verstreken.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat weliswaar de redelijke termijn is overschreden, doch dat niet gesproken kan worden van een zo uitzonderlijk geval dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie gerechtvaardigd is.
Na het instellen van hoger beroep namens de veroordeelde op 11 december 2000 is het dossier op 13 maart 2001 ter griffie van het hof binnengekomen. Ondanks dat de raadsman van de veroordeelde zowel op 26 augustus 2002 als op 10 maart 2004 opnieuw zijn oorspronkelijke stelbrief van 12 december 2000 naar de griffie van het hof heeft verzonden is de veroordeelde eerst op 25 november 2005 in persoon een oproeping betekend voor de terechtzitting van 18 januari 2006. Van eerdere pogingen de ontnemingszaak in hoger beroep aanhangig te maken is het hof niet gebleken. Na ontvangst van het dossier ter griffie is derhalve een termijn van ruim zesenvijftig maanden verstreken alvorens er van de zijde van het openbaar ministerie een daad van verdere vervolging plaatsvond, terwijl niet blijkt van bijzondere omstandigheden die dat uitzonderlijke tijdsverloop kunnen rechtvaardigen. Aldus is het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep en het wijzen van dit arrest in hoger beroep op 1 februari 2006 zodanig, dat niet meer gezegd kan worden dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bovenbedoeld. De overschrijding van de redelijke termijn is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval dermate ernstig dat het belang van de veroordeelde bij verval van het recht tot het instellen van een ontnemingsvordering inmiddels zwaarder moet wegen dan het belang van de maatschappij bij voortzetting van het geding. Daarom moet het openbaar ministerie - met vernietiging van het vonnis waarvan beroep - alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel."
4. Volgens het Hof is het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep op 11 december 2000 en het wijzen van het arrest in hoger beroep op 1 februari 2006, een periode van ruim 5 jaar, bij gebreke van bijzondere omstandigheden die dat uitzonderlijke tijdsverloop kunnen rechtvaardigen zodanig, dat niet meer gezegd kan worden dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM.
5. Aan een uitzonderlijke beslissing houdende niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie worden zware motiveringseisen gesteld (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.23 en HR 2 november 2004, LJN AR2439, rov. 3.8). In HR 5 december 2006, LJN AY9179, een ontnemingszaak, was motivering aan de hand van het enkele tijdsverloop van vijf jaren en iets meer dan tien maanden tussen het instellen van appel en de eind-uitspraak in hoger beroep onvoldoende om aan die eisen te voldoen. Zo ook in HR 28 september 2004, LJN AQ4239, waarin sprake was van een tijdsverloop van iets meer dan zeven jaren tussen de aankondiging van de vordering tot ontneming en de einduitspraak in hoger beroep. Met verwijzing naar het onderhavige, door het Hof genoemde tijdsverloop is dus niet voldaan aan bedoelde zware motiveringseisen.
6. Dat laatste wordt - anders dan zijdens de veroordeelde is aangevoerd - niet anders wanneer in aanmerking wordt genomen dat het Hof zijn oordeel mede heeft gebaseerd op het feit dat op 26 augustus 2002 en opnieuw op 10 maart 2004 de stelbrief van verdachtes raadsman naar de griffie van het Hof is gezonden. Van de zijde van de veroordeelde is immers niet gesteld noch is door het Hof vastgesteld dat die brief inhield een verzoek tot bespoediging van de behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep.
7. Het middel slaagt.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Uitspraak
2 oktober 2007
Strafkamer
nr. 02237/06 P
DV/RR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 februari 2006, nummer 22/005203-01, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 1 december 2000 – het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadslieden van de betrokkene, mr. J-L.A.M. le Cocq d’Armandville en mr. J.Y. Taekema, beiden advocaat te Rotterdam, hebben het beroep schriftelijk tegengesproken.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2.2. Na de terechtzitting waarop de conclusie is genomen, is bij de Hoge Raad ingekomen een schriftelijk commentaar van mr. J-L.A.M. le Cocq d’Armandville op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de beslissing van het Hof tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.
3.2. Het Hof heeft in zijn arrest, voor zover hier van belang, overwogen:
"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Van de zijde van de veroordeelde is een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens overschrijding van een redelijke termijn, in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, op grond dat tussen het moment in augustus 1998 waarop de officier van justitie ex artikel 311, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bij requisitoir in de hoofdzaak in eerste aanleg het voornemen kenbaar heeft gemaakt om een ontnemingsvordering aanhangig te maken en de terechtzitting in hoger beroep in januari 2006, ondanks herhaaldelijk contact van de zijde van de raadsman van de veroordeelde, een periode van ruim 7 jaren is verstreken.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat weliswaar de redelijke termijn is overschreden, doch dat niet gesproken kan worden van een zo uitzonderlijk geval dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie gerechtvaardigd is.
Na het instellen van hoger beroep namens de veroordeelde op 11 december 2000 is het dossier op 13 maart 2001 ter griffie van het hof binnengekomen. Ondanks dat de raadsman van de veroordeelde zowel op 26 augustus 2002 als op 10 maart 2004 opnieuw zijn oorspronkelijke stelbrief van 12 december 2000 naar de griffie van het hof heeft verzonden is de veroordeelde eerst op 25 november 2005 in persoon een oproeping betekend voor de terechtzitting van 18 januari 2006. Van eerdere pogingen de ontnemingszaak in hoger beroep aanhangig te maken is het hof niet gebleken. Na ontvangst van het dossier ter griffie is derhalve een termijn van ruim zesenvijftig maanden verstreken alvorens er van de zijde van het openbaar ministerie een daad van verdere vervolging plaatsvond, terwijl niet blijkt van bijzondere omstandigheden die dat uitzonderlijke tijdsverloop kunnen rechtvaardigen. Aldus is het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep en het wijzen van dit arrest in hoger beroep op 1 februari 2006 zodanig, dat niet meer gezegd kan worden dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bovenbedoeld. De overschrijding van de redelijke termijn is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval dermate ernstig dat het belang van de veroordeelde bij verval van het recht tot het instellen van een ontnemingsvordering inmiddels zwaarder moet wegen dan het belang van de maatschappij bij voortzetting van het geding. Daarom moet het openbaar ministerie - met vernietiging van het vonnis waarvan beroep - alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel."
3.3. 's Hofs oordeel dat het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep door de betrokkene op 11 december 2000 en de einduitspraak in hoger beroep op 1 februari 2006 zodanig lang is dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM, wordt in cassatie niet bestreden. Het oordeel van het Hof dat in het bijzonder dit tijdsverloop van vijf jaren en bijna twee maanden dient te leiden tot de uitzonderlijke beslissing van niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, is in het licht van de aan een dergelijke beslissing te stellen zware motiveringseisen, ontoerei-kend gemotiveerd (vgl. HR 2 november 2004, LJN AR2439, rov. 3.3). Het middel is dus gegrond.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 2 oktober 2007.

